Archief: 2021 mei

Pleidooi van drie internationale organisaties: voer informatica als verplicht vak in

643 reacties

Jan Lepeltak, dit artikel verscheen eerder op 25/3/2019

Drie grote internationale informatica-organisaties hebben de handen ineen geslagen om de invoering van computational thinking en coding in het primair en voortgezet onderwijs in Europa te stimuleren. Zij schaarden zich tijdens een eind februari gehouden seminar in Brussel achter een strategiedocument getiteld Informatics for All.

Initiatiefnemers zijn ACM–Europe, de Europese tak van de invloedrijke American Association of Computing Machinery, waar leden uit bedrijven als Google, Apple, Microcoft en IBM bij zijn aangesloten; Informatics for All (een organisatie van zo’n 120 Europese academische informatica-opleidingen uit 30 landen) en CEPIS, de organisatie van Europese professionele verenigingen zoals de British Computing Society en in Nederland de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Informatieprofessionals.

De Europese landen delen gemeenschappelijke uitdagingen zoals het groeiende tekort aan ICT-specialisten, met name software-engineers, en hoogwaardige informatiewerkers die in alle sectoren van de samenleving nodig zijn. De vraag is enorm. In Nederland ziet 30% van de bedrijven zich belemmerd in hun ontwikkeling door een tekort aan ICT’ers, zo meldde het CBS afgelopen zomer. De EU stelt in een recent rapport dat het tekort in 2020 zo’n 500.000 ICT-kenniswerkers zal bedragen.

Het Informatics for All (IfA) initiatief bevat twee aandachtspunten. Het pleit nadrukkelijk voor een apart schoolvak Computational Thinking (CT) dat zowel in het basis- als voortgezet onderwijs wordt gegeven. Daarnaast moeten onderdelen ook worden geïntegreerd in andere schoolvakken. Volgens IfA moet lesmateriaal aantrekkelijk en uitdagend zijn voor leerlingen. Het curriculum dient de kernbegrippen uit de informatica te bevatten, waarbij de constructieve aspecten van de discipline aan de orde komen. Aan de rol van informatica bij creatie en innovatie moet nadrukkelijk aandacht worden besteed. Daarbij vervult informatie een rol binnen de stimulering van STEM (Science, technology, informatica, Engineering and Mathematics).

Onder voorzitterschap van Dame Wendy Hall (foto), hoogleraar informatica en oud-voorzitter van ACM, werd gediscussieerd over de beste strategie. Een aantal landen presenteerden de huidige situatie in het onderwijs van hun land en bevestigden impliciet nogmaals de achterstand en trage ontwikkeling die wij in Nederland zien.

Frankrijk: CT voor iedereen in het eindexamen

Frankrijk pakt de zaken voortvarend aan. Zo bleek uit de presentatie van Pierre Paradinas van de Société Informatique de France. Vanaf het komende schooljaar dienen alle leerlingen voor het centraal examen (het baccalauréat) dat toegang geeft tot de universiteit ook een examen af te leggen in Sciences Numériques et Technologie (SNT). Dit vak zal anderhalf uur per week worden gegeven aan alle leerlingen. Verder is er het meer theoretische vak Numériques et Sciences Informatiques (NSI) dat tussen de vier en zes lesuren per week zal vergen.

Er gebeurt wat D66 kamerlid Paul van Meenen al eerder bepleitte, wil informatica een serieus vak worden. Dan moet het deel gaan uitmaken van het centraal schriftelijk eindexamen en niet, zoals nu, een facultatief schoolexamenvak waarbij feitelijk elke docent op zijn/haar eigenwijze toetst. Het facultatieve vak informatica in de bovenbouw van het VO is in Nederland een vrij marginaal vak geworden, terwijl het vak informatiekunde in de eerste jaren van het VO zelfs geheel dreigt te verdwijnen.

In het Franse basisonderwijs (groep 2 -3) komen kinderen al vroeg in aanraking met ICT. Het gaat dan vooral over de devices die men gebruikt. Maar als de leerlingen 7 – 10 jaar zijn komt Computational Thinking om de hoek kijken. Er is aandacht voor digitale media, algoritmes, informatica en tools. In de onderbouw (middenschoolachtig) van het voortgezet onderwijs worden zaken als wiskunde en technologie, analoge en digitale informatie, algoritmes en programmeren, netwerken, en applicatie, design en het ontwikkelen van simulaties behandeld. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de aan het MIT ontwikkelde educatieve programmeertaal Scratch.

De ontwikkelingen in landen als Denemarken, Polen en Israël zijn vergelijkbaar. Denemarken is sinds Davos 2016 actief bezig informatica een vaste plek te geven in het Deense curriculum. In januari van dit jaar is de Deense regering begonnen met het nemen van concrete stappen in het basisonderwijs. De plannen maken deel uit van het programma Strategy for Denmarks digital growth. De Deense hoogleraar Michael Caspersen gaf aan dat begonnen wordt met een proef voor leerlingen van groep 1 – 8. In twee lessen per week wordt jaarlijks aandacht besteed aan vier competentiegebieden: computational empowerment, digital design, computational thinking, technologische kennis en vaardigheden.

Ook het Verenigd Koninkrijk is, net zoals Ierland, al zeer ver met het vormgeven van het curriculum in het funderend onderwijs.

Scholing van docenten is in alle landen het kernprobleem. Nederland heeft, zoals zoveel Europese landen, een lerarentekort. Wij moeten een dubbelslag maken: er moet iets gedaan worden aan het groeiende lerarentekort en we moeten de leraren gereed maken voor de digitale uitdagingen van deze eeuw.

Nederland kiest voor een zeer voorzichtig ontwikkelingsmodel dat geheel volgens de polderfilosofie is opgezet. Nagenoeg iedereen mag zijn zegje doen en commentaar leveren op de voorgestelde curriculumplannen, kerndoelen en eindtermen van het project Curriculum.nu (voorheen Curriculum.2032).

In 2021 zou een en ander moeten worden vastgesteld door het parlement, wat betekent dat invoering op zijn vroegst in het schooljaar 2022-2023 kan plaatsvinden. In de huidige opzet van de breed samengesteld ontwikkelgroepen is Computational Thinking onderdeel van Digitale geletterdheid. Het bevat zinnige onderdelen, maar maakt samen met andere onderdelen als Computational Thinking, informatievaardigheden, mediawijsheid en ict-basisvaardigheden een overladen indruk. De vraag is of de invoering van de Digitale Geletterdheid in het Nederlandse curriculum gaat lukken. Voor een overzicht van de invoering van informatica in het voortgezet onderwijs zie bijgaand artikel.

De deskundigen van bovengenoemde internationale informatica-organisaties stellen zelfs dat twee uur per week te weinig is als je de kerndoelen en eindtermen echt wil vernieuwen. De geschiedenis van 25 jaar geleden dreigt zich geheel te herhalen. Ook nu gaan ambitie en haalbaarheid niet gelijk op. Zie ook een eerdere publicatie van KomenskyPost hierover. Het toenmalige kamerlid en latere staatssecretaris Netelenbos haalde van de noodzakelijke honderzestig uur (dus vier uur per week), honderdtwintig uur af voor onder andere het vak verzorging (dat inmiddels bijna nergens meer wordt gegeven). Inmiddels afficheert zij zich nu als EU-ambassadeur Coding. Het kan verkeren.

Jan Lepeltak

Afstandsonderwijs vergt een andere didactische aanpak

Reageer »

19/5/2020

Jan Lepeltak

De afgelopen weken kon men op de sociale media veel wanhoopskreten van hardwerkende en teleurgestelde leraren vinden. Het online lesgeven werkte niet. Leerlingen begrepen opdrachten niet of ze haakten af en deden nauwelijks meer mee. Is dat vreemd? Eerlijk gezegd niet. Het eerste grote online project voor afstandsonderwijs uit de jaren ’90 liet dezelfde ervaringen zien. Voor de Waddeneilanden werd toen Waddenonline opgezet. Dat was geen succes. De verbindingen waren storinggevoelig, de teleconferentieapparatuur van Bang en Olufsen was kostbaar maar de belangrijkste oorzaak was, dat het onderwijsconcept niet werkte. Er was weliswaar ‘sense of urgence’: er waren op de vaak zeer kleine VO-scholen te weinig docenten en de kwaliteit liet daarom te wensen over. Men draaide zijn les en liet dat ook online zien.

Men dacht: “Als we onze leerlingen op bijvoorbeeld Schiermonnikoog gewoon met een videoverbinding een Franse les in Drachten laten volgen, dan het komt allemaal goed.” Niet dus. Toen wij een aantal jaren later vanuit de lerarenopleiding van de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden met nieuwe ideeën de Waddencampus opzetten, was het moeilijk de leraren op de Wadden weer enthousiast te krijgen.
Een van de grootste struikelblokken bleek dat de deelnemende leerlingen van de verschillende scholen geen band voelden met elkaar. Leerlingen van Schiermonnikoog hingen onder andere spijkerjacks over de camera. “Wij kunnen hun niet zien, dan hoeven zij ons ook niet te zien”, zo redeneerde men.

Op basis van de vakliteratuur (zie hieronder) was onze aanpak anders. De leerlingen van de deelnemende klassen op de eilanden en het vasteland moesten elkaar echt leren kennen. 

Hoe kan men de wetenschap van nu en toen gebruiken in de huidige situatie?

Daarom kort wat belangrijke tips en trucs: 

  1. Elke leerling heeft in principe toegang tot internet en een simpele webcam. Als dit niet het geval is dan kan de school daar via gemeente of overheid in voorzien.
  2. Gebruik goedwerkende gratis programma’s voor de communicatie, zoals bijvoorbeeld Zoom (tot 50 leerlingen tegelijk is het gratis) of een platform/leeromgeving van de school waarmee je onderling kan communiceren. Ook leerlingen onderling. Elke school of koepel heeft wel een ICT-coördinator die dat kan regelen en waarmee je kunt proefdraaien.
  3. Stel heterogene groepjes samen van 4 a 6 leerlingen. Bijvoorbeeld met 2 gemiddelde leerlingen, 2 wat trage leerlingen en 2 snelle leerlingen. Lees wat Kees Vernooy hier over heeft geschreven.
  4. Zorg vanaf het begin dat er een prettig groepsgevoel ontstaat. Stel eerst wat korte vragen waarmee je iedereen op zijn gemak stelt zoals: wat is je favoriete eten, wat vind je een leuk object in je kamer, welke film vond je het mooist, wat is je favoriete zanger/popgroep etc.
  5. Geef je ‘klassikale’ instructies en korte opdrachten aan elke groep afzonderlijk. Stel een rooster op. Geef elke dag wat korte info-prikkels (sparks) om warm te draaien.
  6. Stimuleer ook dat alle deelnemers op elkaars individuele resultaten kunnen reageren en elkaar kunnen helpen.
  7. Door de socialisatie wordt het moeilijk je binnen een groep te ‘drukken’ of af te haken.  Let wel op de rol die iedereen zich (onbewust) aanmeet. Gilly Salmon gebruikt een mooie typologie. Zo heb je de spreeuw die zo nu en dan opduikt en dan het hoogste woord heeft, of het konijn, dat online leeft en steeds heel snel reageert, de muis die je nauwelijks hoort en weinig bijdraagt, het hert dat de discussie domineert, etc.
    Hoe hier op te reageren is voor een volgende keer, al komt Salmon met goede suggesties. Nog even dit. Vaak wordt de term thuisonderwijs gebruikt. Dat is verwarrend. Het doet doet denken aan het concept van homescholing wat echt iets anders is.Wil je je ervaringen delen, graag dat kan onderaan bij de reacties.

Literatuur:

Zie ook:

Zie ook voor een inleidend overzicht waaraan ik heb meegewerkt: https://www.groene.nl/artikel/als-u-beweegt-zie-ik-u-niet-meer

Gilly Salmon. In E-tivities. The key to active online learning. London 2002.


Gilly Salmon. E-Moderating. The Key to Teaching and Learning Online. London 2003.

David Jaques and Gilly Salmon. A handbook for face-to-face and online environments . London–New York 2007.

Etienne Wenger. Communities of Practice. Learning, Meaning and Identity. Cambridge, 2006.

Op de site van Wilfred Rubens over blended learning is ook nuttige info te vinden.Bewerk dit bericht

Wie voor een dubbeltje geboren is….

Reageer »

20/2/2021

Jan Lepeltak

Ten onrechte op een te ‘laag’ instroomniveau terecht komen heeft de afgelopen tijd terecht veel aandacht gekregen. Denk aan de serie ‘Klassen’ en de daarop volgende ‘Meetups’ van Human. Ongelijke kansen, verkeerde schooladviezen; iedereen kent wel voorbeelden uit zijn omgeving.

Soms zijn het verhalen over je eigen schoolervaringen. KomenskyPost is op zoek naar deze verhalen. Al was het alleen maar, omdat je er andere jonge mensen een hart mee onder de riem kan steken.

Achterstanden en ongelijke kansen

Amsterdam, voorjaar 1963. Ik voelde mij ’s middags niet goed worden in de 6e klas van de lagere school. Ik moest overgeven en na krampen in mijn buik vond de meester, broeder Bernardo, het beter dat een klasgenoot mij naar huis bracht. Thuis werd de pijn steeds heviger. Ik krijste het uit en mijn moeder belde de huisarts. Dokter Kagenaar kwam snel. Hij woonde bij zijn praktijk op de sjieke Nicolaas Witsenkade en was binnen vijf minuten op de fiets in De Pijp.

Hij onderzocht mij, maar was niet zeker van zijn zaak. Een uur later kwam er een GGD-arts en tegen de avond een ziekenwagen die mij in hoge snelheid naar het Emmakinderziekenhuis aan de Sarphatistraat bracht. De buren keken verontrust toe. Toen de avond was gevallen werd ik de operatiekamer binnengereden en werd mijn blindedarm verwijderd.
Er traden complicaties op wat ertoe leidde dat ik bijna acht weken in het ziekenhuis lag. Maar hoe moest dat nu met mijn toelatingsexamen voor de hbs? Van enige voorbereiding kon geen sprake meer zijn. Mijn schooladvies was mulo, maar na een door mijn ouders afgedwongen psychologische test werd dit gewijzigd in mulo en als ik erg mijn best deed wellicht hbs. Ik was erg laat jarig (in augustus), een jaartje een zogenaamde zevende klas vond de school daarom geen probleem.

Ik deed toelatingsexamen (dat was toen gebruikelijk bij een gedeeld advies) en was zeer nerveus voor de uitslag die werd gepresenteerd op een bijzonder warme zomermiddag in de aula van de vo-school. Toen pater van der Lee, die toen schoolleider was van de onderbouw van de hbs en leraar biologie op het St. Ignatiuscollege, mijn naam noemde viel er een grote spanning van mij af. Ik slaagde echter zonder problemen, al werd ik door mijn leeftijd voorwaardelijk aangenomen, doubleren mocht niet in de 1e klas.
Het hoofd van de lagere school had meer moeite met onze schoolkeuze. De weinige leerlingen die naar een hbs gingen bezochten het St. Nicolaaslyceum. Een enkeling koos voor het meer elitaire St. Ignatiuscollege. Zo ook mijn ouders of beter mijn elf jaar oudere broer die ook het Ig had bezocht. “Wij hadden het hoog in de bol”, liet men blijken.

Achteraf geen spijt, maar toch een beetje jammer dat ik daardoor niet in de klas was gekomen bij de twee weken oudere Louis van Gaal die wel naar de 1e van het Nicolaas ging. Van Gaal opende een aantal jaren geleden nog de nieuwbouw van het Nicolaas aan de zuid-as.

Achteraf een klein wonder dat ik op het Ig ben gekomen en gebleven. Dat was zeker ook te danken aan een aantal moderne jezuïeten die genoeg hadden van een school met vooral kinderen van de Brenninkmeijers, Russels en Hollenkampen. Zij gaven graag kinderen uit andere milieus, bijvoorbeeld uit De Pijp, een kans en ze verzorgden tijdens het eerste schooljaar huiswerkklassen. Zo bracht de school naast een aantal bekende politici (tweemaal een NAVO-voorzitter en de CDA oprichter) ook een Nobelprijswinnaar (chemie 1995) voort. De recent overleden Paul Crutzen kwam ook uit De Pijp en was zoon van een katholieke ober. Hij omschreef zich in interviews als een gewone volksjongen uit de Pijp. kreeg de laureaat voor zijn baanbrekend onderzoek naar het gat in de ozonlaag. Door ziekte behaalde hij onvoldoende resultaten om een beurs te krijgen voor een studie aan de universiteit. Hij ging aan een mts studeren en studeerde later af aan de universiteit van Stockholm. 

Zo zijn er nog legio verhalen te vinden van rare schooladviezen en keuzes, achterstanden die uiteindelijk niet per se een probleem bleken en soms uiteindelijk leidden tot succes. Maar uiteraard zijn er veel meer verhalen die we niet kennen van verloren talent, van mensen die voor een ‘dubbeltje geboren zijn’, en een veel te laag schooladvies kregen, zoals we ook in de serie ‘Klassen’ zagen. Of het nu gaat om de slimste mens, Rob Kemps van de Snollebollekes (“met lts-diploma zwakstroom en een modaal horecadiploma”), of Dave Blank die begon op de lts en nu hoogleraar Nanotechnologie is aan de Universiteit Twente en een internationaal erkend expert. Allemaal hebben ze een merkwaardige schoolcarrière achter de rug.

Om met een Slimste Mens-achtige vraag te eindigen: “Wat kunt ú vertellen over de onjuiste adviezen voor vervolgonderwijs die u ontving?” Deel ze.
info@komenskypost.nl

Afstandsonderwijs vergt een andere didactische aanpak

19/5/2020

Jan Lepeltak

De afgelopen weken kon men op de sociale media veel wanhoopskreten van hardwerkende en teleurgestelde leraren vinden. Het online lesgeven werkte niet. Leerlingen begrepen opdrachten niet of ze haakten af en deden nauwelijks meer mee. Is dat vreemd? Eerlijk gezegd niet. Het eerste grote online project voor afstandsonderwijs uit de jaren ’90 liet dezelfde ervaringen zien. Voor de Waddeneilanden werd toen Waddenonline opgezet. Dat was geen succes. De verbindingen waren storinggevoelig, de teleconferentieapparatuur van Bang en Olufsen was kostbaar maar de belangrijkste oorzaak was, dat het onderwijsconcept niet werkte. Er was weliswaar ‘sense of urgence’: er waren op de vaak zeer kleine VO-scholen te weinig docenten en de kwaliteit liet daarom te wensen over. Men draaide zijn les en liet dat ook online zien.

Men dacht: “Als we onze leerlingen op bijvoorbeeld Schiermonnikoog gewoon met een videoverbinding een Franse les in Drachten laten volgen, dan het komt allemaal goed.” Niet dus. Toen wij een aantal jaren later vanuit de lerarenopleiding van de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden met nieuwe ideeën de Waddencampus opzetten, was het moeilijk de leraren op de Wadden weer enthousiast te krijgen.
Een van de grootste struikelblokken bleek dat de deelnemende leerlingen van de verschillende scholen geen band voelden met elkaar. Leerlingen van Schiermonnikoog hingen onder andere spijkerjacks over de camera. “Wij kunnen hun niet zien, dan hoeven zij ons ook niet te zien”, zo redeneerde men.

Op basis van de vakliteratuur (zie hieronder) was onze aanpak anders. De leerlingen van de deelnemende klassen op de eilanden en het vasteland moesten elkaar echt leren kennen. 

Hoe kan men de wetenschap van nu en toen gebruiken in de huidige situatie?

Daarom kort wat belangrijke tips en trucs: 

  1. Elke leerling heeft in principe toegang tot internet en een simpele webcam. Als dit niet het geval is dan kan de school daar via gemeente of overheid in voorzien.
  2. Gebruik goedwerkende gratis programma’s voor de communicatie, zoals bijvoorbeeld Zoom (tot 50 leerlingen tegelijk is het gratis) of een platform/leeromgeving van de school waarmee je onderling kan communiceren. Ook leerlingen onderling. Elke school of koepel heeft wel een ICT-coördinator die dat kan regelen en waarmee je kunt proefdraaien.
  3. Stel heterogene groepjes samen van 4 a 6 leerlingen. Bijvoorbeeld met 2 gemiddelde leerlingen, 2 wat trage leerlingen en 2 snelle leerlingen. Lees wat Kees Vernooy hier over heeft geschreven.
  4. Zorg vanaf het begin dat er een prettig groepsgevoel ontstaat. Stel eerst wat korte vragen waarmee je iedereen op zijn gemak stelt zoals: wat is je favoriete eten, wat vind je een leuk object in je kamer, welke film vond je het mooist, wat is je favoriete zanger/popgroep etc.
  5. Geef je ‘klassikale’ instructies en korte opdrachten aan elke groep afzonderlijk. Stel een rooster op. Geef elke dag wat korte info-prikkels (sparks) om warm te draaien.
  6. Stimuleer ook dat alle deelnemers op elkaars individuele resultaten kunnen reageren en elkaar kunnen helpen.
  7. Door de socialisatie wordt het moeilijk je binnen een groep te ‘drukken’ of af te haken.  Let wel op de rol die iedereen zich (onbewust) aanmeet. Gilly Salmon gebruikt een mooie typologie. Zo heb je de spreeuw die zo nu en dan opduikt en dan het hoogste woord heeft, of het konijn, dat online leeft en steeds heel snel reageert, de muis die je nauwelijks hoort en weinig bijdraagt, het hert dat de discussie domineert, etc.
    Hoe hier op te reageren is voor een volgende keer, al komt Salmon met goede suggesties. Nog even dit. Vaak wordt de term thuisonderwijs gebruikt. Dat is verwarrend. Het doet doet denken aan het concept van homescholing wat echt iets anders is.Wil je je ervaringen delen, graag dat kan onderaan bij de reacties.

Literatuur:

Zie ook:

Zie ook voor een inleidend overzicht waaraan ik heb meegewerkt: https://www.groene.nl/artikel/als-u-beweegt-zie-ik-u-niet-meer

Gilly Salmon. In E-tivities. The key to active online learning. London 2002.


Gilly Salmon. E-Moderating. The Key to Teaching and Learning Online. London 2003.

David Jaques and Gilly Salmon. A handbook for face-to-face and online environments . London–New York 2007.

Etienne Wenger. Communities of Practice. Learning, Meaning and Identity. Cambridge, 2006.

Op de site van Wilfred Rubens over blended learning is ook nuttige info te vinden.

De 1e internationale conferentie over Telecom and Education voor al ruim 30 jaar geleden plaats

4.801 reacties

In 1989 vond de eerste conferentie over telecommunicatie en onderwijs in Tel Aviv plaats. Ik noem het een artikel in de Groene Amsterdammer bij het begi van de Covid-crisis in maart 2020. Internet was in Nederland een nieuwkomer.